Skip to content
Words Without Borders is an inaugural Whiting Literary Magazine Prize winner!
from the August 2016 issue

Wat niet meer wordt verwacht telt dubbel had zij ontdekt


een

Zelfs wanneer ze in de spiegel keek, had ze tegenwoordig een glimlach op haar gezicht, als ze de trap afdaalde zat er bijna een huppel in haar pas, en nu en dan neuriede er zich zomaar een liedje naar buiten. Wat niet meer wordt verwacht telt dubbel, had Kathleen ontdekt.

Na haar scheiding was er eerst Emiel geweest. Hij leed aan de ziekte van Crohn. Dat was nooit officieel gediagnosticeerd, maar hij veronderstelde dat, gezien de onbetrouwbaarheid van zijn darmen. Hij durfde nooit naar een restaurant, ook de cinema was moeilijk, omdat hij vreesde halfweg de zaal te moeten ontvluchten, en naar vrienden van haar ging hij met tegenzin. Eigenlijk bleef hij liefst gewoon altijd thuis. En ook al hield zij ervan om de hort op te gaan, dat wilde ze er allemaal wel bij nemen. Als zij hem was, zou ze wel degelijk een specialist consulteren om het allemaal zeker te weten, maar Emiel bleef dat om een of andere reden weigeren, en wie was zij om mensen niet te respecteren in hun angsten. Maar dat hij amper over iets anders kon práten dan zijn stoelgang en zijn voeding, en dat hij naar het bestaan keek alsof het was uitgevonden louter en alleen om hem te kwellen, dat was na een tijd op haar eigen levenslust beginnen te wegen.

Toen kwam Barry. Hij nam maar één keer in de week een bad, zoals hij dat vroeger had geleerd. Zijn baard reikte tot aan zijn borstkas, en die rook altijd minstens een beetje naar schuimloos afwaswater. Hij maakte graag grappen en was beledigd als ze daar niet om moest lachen, en hij nam nooit op als zij belde, ook niet die ene keer tijdens dat noodgeval toen ze het vier keer na mekaar probeerde. Tijdens de allereerste vrijpartij sloeg hij haar keihard in het gezicht, pas daarna kon hij klaarkomen.

Nadien vond ze Franz met een z, zo schreef hij dat zelf, ook al stond het anders in zijn paspoort. Hij vond het onverdraaglijk als zij niet dezelfde boeken las en mooi vond, dezelfde films verkoos, dezelfde nummers van Leonard Cohen graag op repeat hoorde, dezelfde toneelacteurs vereerde, als zij niet evenveel hield van de Thaise en de Japanse keuken, en vooral van dat ene gerechtje met kleine octopusjes, als zij niet zijn hekel deelde aan die ene buurvrouw met die lelijke hond en aan die presentator met zijn grote hoofd en die rare lippen. Zelfs als ze samen televisiekeken, richtte hij bij alles wat hij grappig vond zijn blik naar haar, alsof zijn glimlach pas kon bestaan als die werd gedeeld. Alsof hij maar kon bestaan als zij deel werd van hem. Maar Kathleen deed mee. Zij dacht minzaam dat haar wereld er maar groter van kon worden, en ze ontdekte dat meningen voor zichzelf houden eigenlijk lang niet zo moeilijk was als ze initieel dacht. Het was tenslotte met iedereen wel wat. Maar toen was hij begonnen met nordic walking.

Sylvain kon alleen maar over zijn ex-vrouw praten, naar wie hij, zoals hij dan declameerde met Kathleen in zijn armen, metéén zou teruggaan als zij hem nog zou willen, en dat hij dat vertelde omdat hij tegen Kathleen eerlijk wilde zijn.

En Wilfried, die keek haar nooit aan. Als hij tegen haar sprak, leek hij consequent een punt te zoeken ergens hoog op de muur schuin achter haar. Hij was buitengewoon intelligent, maar louter geïnteresseerd in technologie, eigenlijk, waar hij haar urenlang over kon onderhouden in wetenschappelijke termen, en dat deed hij dan ook. Hij omhelsde haar nooit, kuste alleen tijdens de seks, en als ze elkaar ontmoetten kneep hij twee keer hard in een van haar bovenarmen, zijn blijk van liefde, naar zij veronderstelde. Als er nu iemand dat deed, zo veel jaren later, werd ze opnieuw wat wee in de maag, zoals na te veel chocolade te hebben gegeten.

En ten slotte was er Mick geweest. Zij waren dol op mekaar, maar hij had vijf kinderen van drie verschillende vrouwen, die alle vijf één ding gemeen hadden: een hekel aan haar, en dat was hen na een tijd ondanks alles dan toch fataal geworden.

Op één na was het telkens de ander die haar had verlaten. Meer dan een afscheid was het telkens weer een aanslag op moeizaam bij mekaar gesprokkeld geloof in wat zij waar kon maken. De liefde had haar toegetakeld. Na Mick nam Kathleen zich voor om een happy single te worden. Dat was haar nooit gelukt.

Maar opeens dook Dries op, ontmoet op een feestje van een vriendin. Zij was haar jas kwijt en hij kwam haar helpen zoeken. Daarna stal hij een fles whisky uit de barkast en verdwenen ze samen de nacht in. Tot vijf uur ’s ochtends hadden ze op een bank in het park gezeten. Ze hadden gelachen om dommigheden, dingen opgebiecht waarvoor ze zich schaamden, gesproken over dromen en soorten spijt, ontdekt hoe groot hun verwantschap was.

Toen ze eigenlijk al te moe waren om nog juiste woorden te kunnen vinden en wat zaten te staren naar het water, zagen ze een kwetterende eend met haar kroost. Ze ontdekten dat één kleintje niet meer bij de rest geraakte, en op dat moment was hij spontaan tot zijn middel het water in gegaan om het beestje met de rest te herenigen. Voor ze die vroege ochtend thuis arriveerde, had hij haar al een bericht gestuurd om te vragen of hij die avond voor haar mocht koken, en dat bleek hij dan nog uitstekend te kunnen ook.

Dries was de man die haar anders deed kijken naar wat ze allang meende te hebben gezien. Hij voerde haar telkens weer weg van alle soorten zelfhaat, gewoon door haar helemaal te zien en toch voluit van haar te houden. Tussen dunne lakens beminde hij haar met gretige tederheid, dwingend, warm, nabij. Hij vroeg haar nergens om, maar durfde gaandeweg meer aan te nemen van al wat zij hem zo graag gaf. Hij maakte haar week en blij, vaak tegelijk, hij deed haar stilstaan bij wat wezenlijk was, stuwde haar vooruit. Hij was de man van wie Kathleen niet meer geloofde dat hij bestond, die dan toch bleek te bestaan. Ze maakten plannen voor een wilde reis nadat ze de verhalen over zijn avonturen op tot de verbeelding sprekende plekken ademloos had zitten beluisteren.

Kathleen bleef maar wachten op dat moment wanneer zou blijken dat hij eigenlijk een seriemoordenaar was, of dat hij een dubbelleven leidde en nog een vrouw, drie kinderen en een cavia had in een andere stad, of dat hij stervende was aan een langzame erfelijke ziekte die hen straks wreedaardig uit elkaar zou rukken, maar ze kenden mekaar nu toch al vijf maanden en vier dagen en er was nog altijd niks boven water gekomen. Als er iets rechtvaardig was aan dit leven, bleven zij twee samen voor de rest van alle tijd, had een vriendin onlangs nog beweerd. Kathleen had haar niet tegengesproken.

Ze stond voor de spiegel in die ene jurk waar ze eigenlijk te veel geld aan had uitgegeven, en ze hoopte dat Dries ’m mooi zou vinden. Ze koos die schoenen met stevige hakken die hij sexy vond. En ze parfumeerde zich op zeven verschillende plaatsen. Zo meteen kwam hij haar ophalen voor een etentje bij zijn baas. Hij werkte nog niet zo lang in dat bedrijf, en ze voelde dat hij er wat nerveus over was. Ze hoefde niet mee als ze geen zin had, hij wist niet of ze zich wel zou amuseren daar, tussen de collega’s, die saaier waren dan waspoeder, maar zij had erop gestaan. Ze stiftte haar lippen, deed de halsketting om die ze vorige week van hem had gekregen en trok alvast haar jas aan.

Buiten leek de regen van geen ophouden te weten. In het schijnsel van de straatlantaarn deed al dat water denken aan opwaaiend stof in het felste zonlicht, mooi was dat. Vroeger werd ze al mistroostig als ze ’s ochtends nog maar hoorde hoe de regen tegen het raam tikte. Toen ze zijn auto zag naderen, repte ze zich naar de oprit. Ook al was het nog maar van gisteren geleden, zij was verrukt dat ze hem weer zag. Niks was mooier dan de ander telkens weer terugvinden.
 

twee

Kathleen was ongerust dat ze uit de toon viel met haar jurk. Het aperitief werd gebruikt in de lounge, zoals de baas van Dries dat noemde, een vierkante ruimte met veel glas, grenzend aan een ontzaglijke tuin vol oude bomen. Aan de wellustige sofa leek ook al geen eind te komen, er konden makkelijk acht mensen zitten. Kathleen weigerde alle hapjes omdat ze bang was om op de lichtgrijze stof te morsen. Dries deed geweldig zijn best en was er niet helemaal zeker van of dat volstond, dat zag zij wel. Het vertederde haar, ook omdat ze hem zo niet kende, hij was toch eerder het wat stoere laat-het-maar-aan-mij-over-dan-komt-alles-goed-type.

Aan tafel zat links van haar een kerel die John heette. Hij droeg zijn knalrode das luid, en rook naar camembert. Hij deed haar aan Franz met de z denken, maar toch probeerde ze ook met hem te praten.

Als voorgerecht kregen ze bouchotmosselen in een saffraansausje, en ook al waren mosselen zo’n beetje het enige waar Kathleen echt niet van hield, vooral sinds ze die ene keer een slechte mossel had gegeten, met alle gevolgen van dien, zij wilde het proberen om zeker niemand te beledigen, en eigenlijk vond ze het best lekker. Toen de ingehuurde ober de borden kwam halen maakte Dries een grap waar de hele tafel hartelijk om moest lachen, en dat deed haar gloeien van trots. Dit kwam helemaal goed.

“Waar is het toilet, alstublieft?” vroeg Kathleen na het hoofdgerecht aan de baas van Dries.

“Je mag die boven gebruiken, het gastentoilet is net vandaag herschilderd, en dat is nog niet helemaal droog. Heel onhandig, vaklui zijn echt altijd later klaar dan ze beloven. De trap op, de gang door en dan de tweede deur links is de badkamer.”

Kathleen hing haar handtas om haar schouder en liep de wenteltrap op. Dit huis zag eruit alsof er eigenlijk niemand woonde, terwijl ze nochtans twee jonge kinderen hadden. Behoedzaam stapte ze de gang door. Voor de zekerheid klopte Kathleen aan en wachtte even.

De badkamer had ongeveer de grootte van haar slaapkamer, met een inloopdouche in zwart glas en een jacuzzi voor twee. Kathleen lichtte het deksel van het toilet op, en ook al keek ze niet eens echt, zij had het toch gezien. Ze dacht niet dat ze ooit al eens zo’n grote was tegengekomen. Niet dat ze al aan vergelijkende studies had gedaan, normaal bestudeerde Kathleen geen inhouden van toiletpotten, maar in dit geval was er niet veel nodig om het enorme gevaarte op te merken. Zoals het daar lag, uitdagend, gebiedend, onontkoombaar, leek het wel afkomstig van een beer, of een andersoortig zoogdier dat veel meer at dan waar eender welk mens ooit toe in staat zou zijn.

Meteen begon ze een beetje te zweten. Ze wou dat ze gewoon van hokje kon veranderen, zoals in het café. Onverrichter zake terugkeren naar beneden, dat ging ze doen, haar zin om te plassen was door deze gevulde pot spontaan verdwenen. Maar toen bedacht ze dat haar tafelgenoten haar expliciet hadden zien verdwijnen richting badkamer, dus wie er ook na haar dit toilet gebruikte zou denken dat zij dit hier zo onbehouwen had achtergelaten. Misschien was dat zelfs Dries wel, hij had maar een kleine blaas, dat was haar al opgevallen.

Kathleen trok door, het water kwam met gepast enthousiasmenaar beneden gestort, maar bleef eerst even helemaal hoog, en toen halverwege de pot staan. Ze bleef tot haar eigen afgrijzen gebiologeerd toekijken. Na wat initiële stilstand leek er godzijdank toch weer minimale beweging in het water te komen, een zacht soort gepruttel, alsof het wel degelijk met man en macht probeerde die grote boodschap mee te nemen. Het pruttelen werd kolkend gesputter en uiteindelijk verdween het water, maar liet de drol onbarmhartig achter.

De spoelbak vulde zich weer. Zij vroeg zich af of nog eens proberen zin zou hebben. Straks bleef het water definitief zo hoog in de pot staan, dat was nog erger. Maar wat moest ze anders? Ze kruiste twee vingers, duwde nadrukkelijk op de grootste van de twee knoppen, en, zoals zij ook telkens als ze een kraslot kocht geloofde dat ze ging winnen, zo was ze er ook nu opeens van overtuigd dat de tweede poging een succes zou zijn. Ze hoorde het schuimende, zuigende geluid van water dat weer weg wou naar de zee. Maar onveranderlijk lag de bruinzwarte joekel daar, in al zijn uitgestrektheid.

De aanblik viel almaar moeilijker te verdragen. Ze keek weifelend de badkamer rond, op zoek naar iets wat haar zou kunnen redden. Aan de muur gemonteerd in een inox houder zat een wc-borstel. Theoretisch bood die mogelijkheden, maar als ze daarmee aan de slag ging, zouden er vragen rijzen over wie dit stuk design voor eeuwig had ontheiligd, en dat was bijna even erg. Ze zag twee drinkbekers op de wastafel, maar schudde alleen al bij de gedachte het hoofd. En toen viel haar blik op het emmertje met het schepje naast de drie badeendjes op de rand van de jacuzzi. Die behoorden vast toe aan de schattige kleuter van de baas van Dries die ze op de foto’s had gezien. Even keek ze van het schepje en het emmertje naar het vuilnisbakje, klasseerde dat als het domste idee ooit. Er was natuurlijk nog een optie, maar ze moest al kokhalzen bij de gedachte.

Uit onbestemde wanhoop drukte ze nog één finale keer op de spoelknop. Het toilet maakte slurpende en kolkende geluiden, het klonk bijna hoopvol, vond Kathleen, en op dat moment werd er op de deur geklopt. Kathleens hart sloeg een tel over.

“Bezet.” Het klonk schor.

Muisstil bleef ze staan. Toen werd er aan de deur gemorreld.

“Bezet!” Loeiend nu.

“O, sorry,” riep er iemand terug.

Het was de vrouw van de baas van Dries zelf. Had Kathleen mogen beslissen wie van het gezelschap net nu het toilet wou gebruiken, zou zij de allerlaatste keuze zijn geweest.

Kathleen wachtte op het bevrijdende geluid van naaldhakken in beweging, maar ze hoorde niks. De vrouw van de baas van Dries bleef daar gewoon staan wachten op haar beurt. Niet helemaal onbegrijpelijk. Hoelang zat Kathleen al in deze badkamer ondertussen? Vast al tien minuten, of misschien wel een kwartier, wat de verdenking van Kathleen als producent van deze reuzendrol natuurlijk nog maar eens bevestigde. Ze bekeek hem nog eens, en nee, deze knaap was er vast niet zomaar op een paar seconden vlotjes uit gegleden. Er moest nu iets gebeuren. Het ondenkbare desnoods.

In haar handtas zat er altijd een stevige plastic zak, de planeet redden zit in kleine hoekjes. Bijna misselijk van ellende trok ze die zak om haar linkerhand, in haar rechter nam ze het schepje, ze ging boven de pot staan, haar gezicht wat schuin weggedraaid terwijl ze toch nog net kon zien wat ze deed, en zo mikte ze eerst de ene en daarna de tweede helft van de drol in de zak. Kathleen draaide detas rond en rond om de ongewenste buit en plooide de uiteinden om. Vol afgrijzen checkte ze even of dat veilig was zo. Maar nee, hier kwam geen geurtje of drupje doorheen. Ze hoorde de vrouw van de baas van Dries kuchen aan de andere kant van de deur. Of het toevallig kuchen was, of betekenisvol “ik-sta-hier-wel-te-wachten-haast-u-in-godsnaam-kuchen” viel moeilijk uit te maken.

Kathleen trok nog een laatste keer door, hield het schepje in het stromende water, en legde het alvast ogenschijnlijk schoongewassen weer bij het emmertje. Ideaal was dit geenszins, maar ideaal bleek vanavond bepaald niet het codewoord. Nu het pakketje nog in haar handtas stoppen, handen wassen, en met een uitgestreken gezicht weer naar beneden.

Het viel nauwelijks te geloven wat ze had gedaan, maar zij liep toch maar mooi de kamer weer in, met haar onverdachtste glimlach. Alles voor haar Dries.
 

drie

Het was moeilijk om er haar gedachten bij te houden. Straks gingen ze bij Dries slapen, en zij moest nog van haar ongewenste buit af zien te komen. Nu en dan trok ze haar grote handtas wat dichter naar zich toe en snuffelde, voor de zekerheid, maar daar hoefde ze zich toch alvast geen zorgen over te maken. Tijdens het dessert zat ze almaar de andere gasten te bestuderen, met de prangende vraag wie van hen het specimen zou hebben voortgebracht. Terwijl ze aten was er niemand van tafel gegaan, en ze had compleet niet in de gaten gehouden wie tijdens het aperitief uit de lounge was verdwenen, zij had alleen oog voor Dries. Intuïtief wou ze alle vrouwen uitsluiten, maar die ene met dat rode haar en de schouders van een zwemster leek haar toch ook tot een en ander in staat. John achtte ze evenwel de grootste kanshebber.

Ze probeerde zich ondertussen niet af te vragen wat de anderen in het algemeen, en de vrouw van de baas van Dries in het bijzonder, maakten van haar ongezond lange afwezigheid van daarnet. Naarmate de avond vorderde moest ze ook almaar uitbundiger plassen, want dat was er door alle beroerdigheid niet eens van kunnen komen, maar ze weigerde terug te keren naar het oord van onheil, wie weet wat ze dit keer in de pot vond.

 

Ze reden naar huis en Dries was blij met hoe de avond was gelopen. “Iedereen was zot van u, hè, toen gij even naar het toilet waart hebben drie verschillende mensen het mij gezegd, hoe leuk ze u vonden.”

Zoals Dries keek terwijl hij dat uitsprak, daar alleen al kon Kathleen weer een week op teren. Zij zat met haar tas op schoot en probeerde haar ongemak kundig te verbergen. Ze moest zorgen dat ernog een pitstop werd ingelast, zodat ze het zaakje kon dumpen.

“Kunnen we nog even stoppen bij een nachtwinkel? Ik moet nog tampons kopen, ik ben ze vergeten en het zou kunnen dat ik ze morgenvroeg nodig heb. Sorry hè, stom van mij,” ze lachte.

“Geen probleem, lief, iets verderop is er eentje, denk ik.”

Dries parkeerde de wagen, jammer genoeg pal voor de winkel, maar ook binnen stonden er vaak vuilnisbakken voor wikkels van ijsjes en zo. Niet panikeren, dacht ze, het kwam wel goed.

Zij hield haar hand bij de klink.

“Zo terug.”

“Ik ga mee, ik heb nog zin in iets ongesofisticeerd zoets na dat veel te gezonde fruitdessert van daarnet, gij niet?”

Haar grijns was medeplichtig. Ze wou nog zeggen dat zij dat wel mee zou brengen, maar hij duwde de deur al dicht.

De regen spatte hoog op van de straat, zo hard kletterde die naar beneden. Dries maakte voor haar het portier open, hield zijn lange regenjas boven hun beider hoofden en zo spurtten ze de winkel in. Eenmaal binnen ging hij leunend boven de diepvrieskisten de ijsjes bestuderen. Kathleen liep naar het rek met de toiletartikelen, terwijl ze zocht naar een vuilnisbak, die er natuurlijk niet was. Verdorie toch. Kathleen moest van die zak af, hoe dan ook. Desnoods maar op eender welke plek waar ze het ongemerkt kon achterlaten, dit was een noodgeval. In gedachten zou ze haar excuses aanbieden aan de winkeleigenaar, die hopelijk de tas niet zou openmaken voor hij hem weggooide. Kathleen zag nog behoorlijk veel ruimte achter de shampoo en het badschuim, dit was misschien een optie. Ze hoorde de rinkel van de winkeldeur, o nee, nog iemand die kon opmerken wat ze aan het uitspoken was.

“Iedereen, op de grond, nu.” Twee mannen met bivakmutsen stonden naar hen te kijken, met elk een handgeweer op hen en op de eigenaar gericht. De ene draaide de deur op slot.

De andere brulde nog eens: “Nu!”

Hun bewegingen waren springerig, hun lijven slungelig dun, het leken eerder jongens dan mannen, jongens die daar stonden te druipen als natte honden. Kathleen hoorde Dries achter zich neerzijgen. Zij ging op haar knieën zitten, en leunde toen snel voorover, omdat die kont in de lucht, recht in het gezicht van Dries, er vast niet aantrekkelijk uit zag zo. Ze draaide achterom en zag hoe Dries helemaal tegen de grond aan geplakt lag, met zijn gezicht weggedraaid van de overvallers en dus ook van haar. De vloer was nat en zat vol slijkerige sporen van alle schoenen die hier al de hele avond in en uit liepen, zij bleef zo’n beetje halfweg hangen, steunend op haar onderarmen. Naast haar de compromitterende handtas.

De man achter de toonbank bleef gewoon staan, met zijn handen in de lucht. Omdat hij niet dacht dat hij iedereen was, misschien, of omdat hij geen Nederlands sprak, of puur van de stress, wie zou het zeggen. De kleinste van de twee gooide een zak op de toonbank. Hij duwde zijn revolver tot vlak voor het gezicht van de man en wees toen met de loop naar de kassa. De uitbater begon meteen alle biljetten in de zak te stoppen. Een trieste toeschouwer bij zijn eigen teloorgang, die hij ook onmiddellijk aanvaardde. De kalmte van zijn berusting stak schril af tegen de nervositeit van de overvallers, twee hongerige tijgers in een te kleine kooi.

De kleine bewoog af en toe de loop van zijn geweer op en neer voor de ogen van de winkeleigenaar, alsof hij de man de juiste beweging moest voordoen. Kathleen vroeg zich heel even af of er misschien ergens zo’n discreet alarmknopje zou zitten om de politie te verwittigen. Maar een van de tl-lampen was kapot, het houtwerk aan de deur en het raam had dringend een lik verf nodig en de stofvlokken onder de rekken verraadden bepaald geen betaalde poetshulp. Hier was vast geen geavanceerd alarmsysteem te vinden.

Omdat de twee jongens maar bleven staren, kieperde de man nu ook het kleingeld in de zak. De kerels mompelden iets.

“Nog,” riep de langste tegen de uitbater.

Die schudde zijn hoofd. “Alles,” antwoordde hij.

Hij wees naar zijn kassa, tilde het bakje op om te laten zien dat ook daaronder niks meer verborgen zat. Toen hield hij zijn handen weer boven zijn hoofd.

De kleine klemde met zijn rechterarm de man onder diens kin tegen de kast achter hem.

“Waar hebt ge de rest verstopt?”

“Niks, niet,” zijn stem klonk beverig nu.

Kathleen probeerde opnieuw achterom te kijken, Dries te zoeken.

“Niet bewegen,” brulde de lange tegen haar.

De kleine maakte kasten open, smeet er rommel uit. De andere leek geërgerd, hij floot tussen zijn tanden, liep voor de zoveelste keer naar de deur, draaide weer om, en Kathleen zag het gebeuren: hij gleed genadeloos uit over de natte vloer, zwieps met een been vooruit en zo met zijn achterhoofd tegen de tegels, hij vloekte.

“Djeezes,” brulde de kleine.

Karma, dacht Kathleen. De andere hielp hem rechtop terwijl hij het wapen op de eigenaar gericht hield, alsof hij zonder te kijken ook kon schieten.

“We moeten weg, man!”

“Ja, ja.”

Kathleen wou dat ze Dries kon voelen, al was het maar een vinger aan haar been of zo, ze schoof een voet discreet naar achter, dat zou hij vast wel opmerken, ze probeerde voorzichtig schuin een glimp van hem op te vangen.

Toen ze weer opkeek zag ze voor haar neus de bottines van de kleine.

“Jullie ook, alles afgeven.”

Hij gooide de zak op de grond.

“Komaan, man, dat duurt hier te lang,” sputterde de lange weer.

Hij wreef met een hand langs zijn achterhoofd, wat er belachelijk uitzag, zo met die bivakmuts ertussen.

“Geld, juwelen, telefoon.”

Zijn nerveuze bottines draalden op en neer.

“Komaan,” snauwde de andere geagiteerd.

Kathleen gebaarde of ze mocht gaan zitten. Hij knikte. Ze rommelde zenuwachtig in haar handtas, maar ze kon alleen maar die plastic tas voelen. Ze moest zo snel mogelijk alles wat ze kon vinden op de vloer leggen, zodat hij niet in die tas zou gaan kijken. Wat zou Dries wel denken? Hoe zou er ooit nog romantiek mogelijk zijn als dit aan het licht kwam?

De overvaller had ondertussen Dries’ portefeuille, telefoon en horloge in ontvangst genomen. Maar zij vond niet wat ze zocht. Ze was nu toch niet net vandaag haar portemonnee vergeten? Ze vond een elastiekje voor haar haar, twee papieren zakdoekjes in de verpakking, een neusspray, een lippenstift, haar agenda, een paar losse munten, een individueel verpakt doekje voor intieme hygiëne en dat donkere geheim van haar, maar geen geld.

“We moeten nu weg, kerel,” riep de andere, alsof hij niks anders meer wist te zeggen.

“Mijn portemonnee ben ik thuis vergeten. Maar hier.”

Kathleen nam haar smartphone uit de zak van haar jas en schoof die voor zijn voeten. Ze maakte de halsketting los, ook al had ze die van Dries gekregen, stond haar oorbellen en haar armband af, die nauwelijks iets hadden gekost, alles om te vermijden dat hij om haar handtas zou vragen.

“Hoezo vergeten?”

“Wij komen van een etentje bij mensen thuis, ik had geen geld nodig.”

“En hier betalen, hoe zou dat gebeuren? In natura misschien?”

Hij graaide met een vinger achter het knopje van haar blouse en trok de stof vooruit. Kathleen vervloekte zichzelf dat ze haar jas niet had dichtgeknoopt. Hij bestudeerde grijnzend haar decolleté, ze kon zijn zweet ruiken, Kathleen trok bruusk met een schouder naar achter, klemde haar handtas onder haar armen.

“Geef mij die tas, kutwijf.”

Alles, maar niet die handtas. De overvaller kwam met zijn hoofd nog dichterbij, Kathleen hield haar adem in. De kilte van die twee ogen omrand door zo veel zwarte wol.

“Sorry, ik heb écht niks . . .” Haar stem trilde.

En opeens zag ze hem weer naar achter wijken en uithalen, met de kolf van het wapen. Een knal tegen haar slaap, gekraak. Kathleen viel neer, en voelde een bottine in haar maag trappen, en dan nog eens.

“Komaan, man, die handtas en weg, verdomme!”

De kleine stampte nog een keer, tegen haar nieren nu. Pijn kroop langs haar rug naar boven. Ze probeerde met haar handen haar gezicht te beschermen, de handtas nog altijd bij zich. Plots sprong de uitbater tegen de overvaller aan. De lange kwam dichterbij, hield bevend zijn wapen gericht. De twee mannen lagen worstelend op de grond, Kathleen wilde opstaan, stampte in de rug van de kleine met de hak van haar schoen, maar in geen tijd zat hij boven op de winkeleigenaar. Hij sloeg hem met volle vuist in zijn gezicht. Een doffe knak. De lange trok de andere aan zijn schouder. “Zot, stop daarmee, komaan.”

De kleine leek niks te horen, stampte de man tegen zijn hoofd, die krijste alsof ze hem doodsloegen. Toen begon hij in zijn maag te stampen, en nog eens, en nog eens, en nog eens, tot de man braakte.

“Idioot,” de lange graaide naar de zak, trok de kleine hardhandig aan zijn schouder: “mee, nu, kalf.”

De slungel liep naar de deur, en de andere stormde achter hem aan. De rinkel van de deur, en dan wazige stilte.

Kathleen kroop moeizaam overeind. Ze voelde aan haar voorhoofd, nattig, bloed. Ze was een beetje duizelig, maar bewoog zich naar de man toe. “Mijnheer?” Zijn ogen waren dicht. “Sir, are you okay sir?” Kathleen wist niet waarom ze dacht dat hij op Engels wel zou reageren, misschien omdat hij met een accent had gesproken daarnet. Ze schudde hem zachtjes aan zijn schouder, zijn gezicht zag er akelig uit, en het braaksel had een vreemde bruinrode kleur. Zijn borstkas ging op en neer, dat wel, goddank.

Ze stond op. Wat nu? Paniek was alle vanzelfsprekendheid die zomaar uit je wegvloeit. “Dries?” Waar was hij eigenlijk gebleven? “Dries?!” Ze moest hulp halen, een telefoon vinden. “Drie-hies?” Ze liep naar de deur die naar de privévertrekken leidde. Binnen stond een ouderwetse telefoon. Er nam meteen iemand op, Kathleen deed haar verhaal, maar ze kende de naam van de straat niet. “Dries?” Weer geen reactie. Uiteindelijk zag ze een enveloppe bij de telefoon liggen, ze dicteerde straat en huisnummer, ze was bang dat door haar gesukkel alle hulp te laat zou komen.

Pas toen ze de winkel weer in kwam, zag ze hem zitten, verstopt tussen de kast met conserven en de muur. “Dries?” Hij reageerde niet, keek haar niet aan. Pas toen ze bij hem kwam zag ze dat het kruis en de binnenkant van de pijpen van zijn beige broek donkerder waren dan de rest.
 

vier

Kathleen keek naar hem, naar hoe hij daar lag, nek en hoofd vastgegord op de draagbaar, de vreemde man die haar had gered. Het was te vroeg om iets te zeggen, verdere onderzoeken zouden het uitwijzen, zeiden de ambulanciers. Haar gaven ze een kompres, dat ze tegen haar hoofd gedrukt moest houden. Om de wond te hechten en haar hoofd te laten nakijken, kon ze met hen meerijden, maar ze zouden wel zo meteen vertrekken. “Ik check even.”

Kathleen liep naar Dries, ze had nooit meer naar hem verlangd. Hij zat achteraan in de winkel op een krukje, met een deken om zijn middel gedraaid. Hij staarde naar de grond, zijn gezicht bleek, een hand aan zijn voorhoofd. “Gaan we mee met de ziekenwagen? Of ik alleen en dat gij nadien komt? Of gaan we met uw auto naar de spoed? Gij kunt gewoon rijden, toch?”

Dries antwoordde niet.

“Ik moet iets zeggen tegen die gasten, ze staan te wachten.”

Toen hij ook daar niet op reageerde, klinkte ze naar de ambulanciers: ik blijf hier, dankuwel.

Dries zat daar alsof hij zijn eigen gewicht niet langer kon dragen.

Zij die meesters waren in de betere gesprekken bleven almaar zwijgen. Hij vroeg niet hoe het met haar ging, zij vroeg zich af wat hem kon helpen, maar er schoot haar helemaal niks te binnen. Haar hoofd bonsde. Hij was gedegouteerd door haar, natuurlijk, zij die een dwaze handtas niet wou afgeven en zo verantwoordelijk werd voor het geweld tegen die heldhaftige man. Misschien moest ze toch maar opbiechten hoe het zat? Maar een verhaal over stront? Kathleen ging naast hem zitten. Ze schraapte haar keel om iets te zeggen, maar daar bleef het bij. Ze stond weer op, zocht naar een sleutel, zodat ze straks de deur achter zich konden dichtdoen.

Toen ze terugkwam zat Dries daar in precies dezelfde houding, zijn schouders hoog, in een kramp getrokken.

“Gaat het?” vroeg ze.

Dries gromde: “Ja, het is hier allemaal dolletjes.”

Dat soort cynische kilte kende ze niet van hem.

“Ik had mijn tas moeten geven, het was gewoon . . .”

Hij keek haar niet aan, ze verloor de moed om die zin af te maken. Hij trok de deken nog wat verder over zich heen.

“Ik ben blij dat ze zich tenminste niet tegen u hebben gekeerd.” Ze gebruikte haar zachtste stem.

Ze legde een hand op zijn wang, hij trok zijn hoofd weg. Kathleen wachtte even, hoopte dat hij toch iets zou gaan zeggen. Ze wilde hem wel kussen, maar ze wist niet of ze het aan zou kunnen als hij ook dan achteruit zou deinzen. “Zullen we vertrekken? Door hier te blijven gaan we ons niet beter voelen, toch?”

“Ga maar, ik kom.”

“Gij hebt de sleutel van uw auto, hè.”

“Ja.”

Hij maakte geen aanstalten om die aan haar te overhandigen.

Kathleen staarde rillerig naar buiten, naar het vlekkerige licht, de onscherpe wereld. De regen kletste kwaad tegen de ramen, een zwart-witte kat rende opgejaagd voorbij. De leegte van de straat ontregelde haar. Kathleen dacht aan de uitbater, aan zijn armen in de lucht, aan zijn gebrul, aan Dries en zijn afgewende blik, aan die weerzinwekkende kak in haar tas, en ze voelde een traan treuzelen in haar rechterooghoek.

“Ik zie u graag,” zei ze toen, ze hoopte dat hij dat zou horen.

“Ja, ja, ik kom.”

Hij kwam van het krukje af, wikkelde de deken opnieuw om zijn middel, en liep langs haar heen naar de auto.

“Vergeet uw handtas niet.”

Kathleen wist niet of die bittere ondertoon er echt was, of alleen bestond in haar verbeelding.

Ze had moeite om de deur op slot te krijgen, na wat gemorrel dropte ze de sleutels in de brievenbus. En tien meter verderop stond een vuilnisbak, eindelijk tenminste van die last verlost, dacht ze terwijl ze de zak door het gat duwde.

Kathleen ging naast hem in de auto zitten.

“Oei, ik maak hier alles nat.”

Luchtigheid wilde ze proberen, om zo het pad te effenen voor een gesprek.

Dries drapeerde de deken zorgvuldig over zijn broek, startte de wagen.

“Ja, als ge ook nog wat in de straat op en neer gaat wandelen natuurlijk.”

Kathleen wist niet wat te zeggen. Ze hoorde de richtingaanwijzer, zijn handen die langs het leren stuur gleden. Toen trok hij voor de zoveelste keer aan de deken. Zij probeerde door haar mond te ademen.

De ruitenwissers zwiepten op hun snelste stand heen en weer. Ze keek naar de weg, maar het enige wat zij zag was het gezicht van Dries, die weigerde haar aan te kijken, en het kapotte gezicht van de man van de nachtwinkel. Ze kreeg kramp in haar arm van dat kompres vast te houden, ze wisselde van hand. Als ze zich liet gaan, zou ze moeten klappertanden. De kou leek in haar te zijn gekropen, een metgezel die was gekomen om te blijven.

Wanneer hij straks opgefrist zou zijn, dan, dan zou het allemaal weer beter gaan. Dan reden ze naar de spoedopname voor haar hoofd, en daar zou hij haar hand vasthouden en zij zou zeggen dat ze straks het hele verhaal zou doen en dat hij haar dan wel zou begrijpen, en dan zouden ze samen informeren naar de eigenaar en te horen krijgen dat hij weer helemaal de oude zou worden, binnenkort al, en dan zouden ze elkaar omarmen omdat ze zo gelukkig waren, voor hem en ook gewoon, samen, en dan zouden ze babbelend als altijd naar hem of haar thuis gaan, dat zou niks uitmaken, zouden ze zeggen. En ze zouden de ander weer vinden zoals ze dat de voorbije vijf maanden telkens weer hadden gedaan. Zo zou het gaan, straks, als hij opgefrist was, dat wist zij zeker. Of toch bijna.

Read more from the August 2016 issue
Like what you read? Help WWB bring you the best new writing from around the world.